We zitten met een groepje moeders bij elkaar. Koffie, thee, wat zelfgebakken lekkers. De kinderen spelen boven en hun stemmen en giecheltjes klinken soms boven ons gesprek uit. In het gesprek in de kamer delen we onze vreugden, onze moeiten en leven met elkaar mee.
Dan komt één van de kinderen naar beneden. Ze kruipt stilletjes tegen haar moeder aan. Moeder glimlacht en nodigt haar vriendelijk uit om weer te gaan spelen. Maar het meisje schudt haar hoofd. Ze wil niet. De gastvrouw vraagt: „Vond je het spelen boven leuk?” Het meisje zegt niets en de moeder van het meisje legt uit dat haar dochter „een sterk rechtvaardigheidsgevoel heeft.”
Ik hoor het vaker. Het klinkt positief: een kind dat goed aanvoelt wat eerlijk is. Maar terwijl ik luister, vraag ik mij af: wat zeggen we eigenlijk? Dat het eigen gevoel van recht belangrijker is dan vrede? Dat het kind bij voorbaat gelijk heeft als het afhaakt in het spel? Of dat het aan de ander ligt als er iets misgaat?
De Bijbel spreekt zeker over oordeel en rechtvaardigheid. Maar het gaat om een rechtvaardigheid die voortkomt uit kennis en waarheid. „De HEERE is een God Die kennis heeft; door Hem worden de daden getoetst” (1 Samuël 2:3). Toch wijst Gods Woord ons in de omgang met elkaar steeds weer op barmhartigheid. „Want onbarmhartig zal het oordeel zijn over hem die geen barmhartigheid gedaan heeft; en de barmhartigheid roemt tegen het oordeel” (Jakobus 2:13).
God stelt Zich aan Mozes voor als „De HEERE, de HEERE God, barmhartig en genadig, lankmoedig, en groot van goedertierenheid en waarheid” (Exodus 34:6). Hij is heilig en rechtvaardig, maar bewijst chesed: liefdevolle trouw aan een zondig volk.
En als de farizeeën hun sterk gevoel voor recht tonen, wijst Jezus hen terecht. „Ik wil barmhartigheid en geen offer” (Mattheüs 9:13). Niet het vasthouden aan rechtvaardigheidsgevoel staat voorop, maar Eleos: ontferming, innerlijke bewogenheid.
In onze samenleving worden kinderen — en volwassenen — al vroeg geleerd om op te komen voor zichzelf, om hun recht te claimen en hun gevoel te volgen. We prijzen het individu dat zijn eigen stem laat horen. Maar de Bijbel leert ons een andere weg: de weg van gemeenschap, van dienen en elkaar verdragen in liefde. „Draagt elkanders lasten, en vervult alzo de wet van Christus” (Galaten 6:2). Niet het eigen gelijk, maar de gemeenschap en de liefde staan voorop.
Misschien moeten we in onze opvoeding wat minder nadruk leggen op dat „sterke rechtvaardigheidsgevoel”. Laten we onze kinderen leren om barmhartig te zijn: „Wees dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is” (Lukas 6:36).
Hoe zou het zijn als wij als ouders in ons eigen leven ook minder zouden streven naar ons gelijk en meer naar barmhartigheid?” Opvoeden is immers voordoen. En dan zeggen we bij de koffie niet meer: „hij/zij heeft een sterk rechtvaardigheidsgevoel.” Maar: „ Ze gaan zo weer fijn samen spelen, want mijn kind heeft een sterk gevoel voor Eleos.”